Les mots qu’on ne me dit pas – Véronique Poulain

Een paar jaar geleden verscheen de film La Famille Bélier (2014), een kaskraker over een dove familie met één horend familielid. Paula, de horende dochter, fungeert als een soort brug tussen de wereld van de horenden en die van de doven. Om de verschillen tussen die werelden nog eens te benadrukken, woont de familie op een afgelegen boerderij, terwijl Paula in de stad naar school gaat. Op school komt ze erachter dat ze goed kan zingen, een bezigheid die ze niet kan delen met haar ouders en haar broertje.

De film drijft op dramatische contrasten tussen Paula en haar familie, met haar auditie voor een zangopleiding als hoogtepunt, maar is ook erg grappig. Paula’s ouders zeggen alles wat ze willen, want er is toch bijna niemand die ze begrijpt. Omgekeerd noemt Paula haar familie “bande d’enculés” (stelletje eikels), waar niemand aanstoot aan neemt. Opvallend is dat de ouders in de film worden gespeeld door horende acteurs die gebarentaal gebruiken. Veel dove kijkers waren aangewezen op de ondertiteling, want de gebaren van met name Karin Viard (Paula’s moeder) waren niet goed te volgen. 

De film is een komedie die is gemaakt voor een groot publiek. Overdrijving wordt dan ook niet geschuwd. Om een wat genuanceerder beeld te krijgen is het de moeite waard om Les mots qu’on en me dit paste lezen. In dit boek beschrijft Véronique Poulain in korte anekdotes hoe het is om als horende tussen dove familieleden te leven. Het boek heeft als basis gediend voor de film, maar heeft een heel andere vorm. In plaats van een doorlopend verhaal schreef Poulain korte anekdotes over allerlei bijzonderheden waar je mee te maken hebt als je ouders doof zijn. Sommige daarvan haalden de film La Famille Bélier, bijvoorbeeld de openhartigheid waarmee de ouders over seks praten en de herrie die ze maken tijdens hun dagelijkse bezigheden. Andere onderwerpen zijn wat complexer. Zo legt Poulain uit dat ze niet beledigd is als haar vader in een documentaire opmerkt dat hij het niet erg gevonden zou hebben als zijn dochter ook doof zou zijn. Als geen ander onderkent Poulain dat het lastig is om te communiceren als je niet dezelfde taal spreekt. Gebarentaal is minder rijk dan gesproken taal, waardoor nuances soms verloren gaan. Woordspelingen, spreekwoorden, maximes, ze komen niet over in gebarentaal. 

In het boek staan ook veel grappige verhalen. Natuurlijk testen Véronique en haar neefje en nichtjes of hun ouders echt doof zijn. Arme tante Lydie krijgt een koptelefoon op haar hoofd geschoven als ze op de bank in slaap gevallen is. De cd met heavy metal wordt op het hoogste volume gezet. Geen reactie. Ja, ze is echt doof. 

In een interview vertelt Véronique Poulain dat het contrast tussen doven en horenden tegenwoordig minder groot is dan toen zij opgroeide. In Poulains jeugd (ze is geboren in 1967) waren er nog niet zoveel voorzieningen als tegenwoordig en waren er bijvoorbeeld geen gebarentolken op tv. Ook over de emancipatie van doven schrijft ze in Les mots qu’on ne me dit pas. Een film als La Famille Bélier, waarin dove acteurs spelen en waarin sterren als Karin Viard en Louane Emera in gebarentaal spreken, is dus ook een teken van onze tijd.